Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
20 november 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland inzake de overname van de tenuitvoerlegging van een in Noorwegen opgelegde gevangenisstraf van zeven jaren en zes maanden wegens medeplegen van invoer van aanzienlijke hoeveelheden hasjiesj, marihuana, amfetamine, MDMA en diazepam.
De verdediging klaagde dat de rechtbank artikel 31 van Pro de Wet op de internationale rechtsbijstand strafzaken (WOTS) had geschonden door onvoldoende rekening te houden met persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde. Tevens werd aangevoerd dat de rechtbank had verzuimd artikel 47 van Pro het Wetboek van Strafrecht als toepasselijke wetsbepaling te vermelden in haar beslissing.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was, omdat de aangevoerde klachten niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaakten. Het beroep werd verworpen en de overname van de tenuitvoerlegging van de straf werd bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de overname van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf wordt bevestigd.