ECLI:NL:HR:2018:2151

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 november 2018
Publicatiedatum
20 november 2018
Zaaknummer
17/01742
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 116 lid 2 sub a SvArt. 3:86 lid 3 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt terughoudendheid bij teruggave gestolen auto aan derde-belanghebbende

Klaagster had een personenauto gekocht in België die gestolen bleek te zijn in Frankrijk. De auto was in beslag genomen en de Officier van Justitie wilde deze teruggeven aan de Franse eigenaar, een derde-belanghebbende. Klaagster voerde aan dat zij redelijkerwijs als rechthebbende moest worden aangemerkt op grond van Belgisch recht.

De Rechtbank Midden-Nederland oordeelde dat klaagster onvoldoende onderzoek had gedaan naar de herkomst van de auto en daarom niet als verkrijger te goeder trouw kon worden beschouwd. De rechtbank wees het klaagschrift af en stond teruggeven van de auto aan de derde toe.

De Hoge Raad bevestigt dat de rechter bij de beoordeling van de teruggave niet moet treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar wel civielrechtelijke aspecten mag betrekken. Dit uitgangspunt geldt des te meer wanneer het recht van een ander land relevant is. De Hoge Raad verwerpt de stelling dat naar Belgisch recht had moeten worden vastgesteld of klaagster als rechthebbende kon worden aangemerkt.

Het beroep in cassatie wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking tot teruggave van de auto aan de derde-belanghebbende blijft in stand.

Uitspraak

20 november 2018
Strafkamer
nr. S 17/01742 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 8 februari 2017, nummer RK 16/3220, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klaagster], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt onder meer dat de Rechtbank heeft miskend dat op grond van het toepasselijke Belgisch recht de klaagster redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt.
2.2.
Het klaagschrift behelst een beklag tegen het voornemen van de Officier van Justitie om de onder de klaagster inbeslaggenomen personenauto op de voet van art. 116, tweede lid onder a, Sv aan een derde-belanghebbende terug te geven en houdt tevens een verzoek in tot teruggave aan de klaagster van de personenauto.
2.3.
De Rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard en heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
"De rechtbank (...) heeft (...) kennisgenomen van de van toepassing zijnde artikelen van het Belgisch Burgerlijk Wetboek en artikel 3:86 lid 3 sub a BW Pro. Kort gezegd dient de rechtbank na te gaan of klaagster kan worden aangemerkt als verkrijger te goeder trouw. Hierbij zijn alle omstandigheden van belang.
De rechtbank overweegt daartoe dat uit de stukken is gebleken dat het betreffende voertuig op 17 april 2016 in Frankrijk is gestolen en dat [betrokkene 1] daarvan aangifte heeft gedaan. De broer van klaagster heeft de auto via een Duitse internetsite gezien en heeft een afspraak gemaakt met de verkoper om de auto dezelfde dag nog in België te kopen en over te dragen. Deze overdracht heeft vervolgens plaatsgevonden in Luik, op een parkeerplaats naast een supermarkt.
Klaagster stelt dat de prijs van de auto marktconform was en dat alvorens de auto werd gekocht op de website "Stopheling" is gecontroleerd of de auto niet als gestolen stond gesignaleerd. Vervolgens is de auto aangeboden bij de RDW op 10 mei 2016. Uit onderzoek door de RDW op 11 mei 2016 is gebleken dat de auto in Frankrijk als gestolen stond gesignaleerd en dat de meegeleverde autopapieren vals waren.
De rechtbank is van oordeel dat klaagster onder de geschetste omstandigheden onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de herkomst van de in Duitsland aangeboden auto en daarmee niet kan worden aangemerkt als een verkrijger te goeder trouw.
De rechtbank is van oordeel dat teruggave aan klaagster om die reden niet gerechtvaardigd, te meer nu duidelijk is geworden dat de betreffende auto in Frankrijk is gestolen van [betrokkene 1], die daarmee een groter recht lijkt hebben op teruggave aan haar."
2.4.
In een geval als het onderhavige - waarin het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet meer vordert en de Officier van Justitie heeft medegedeeld voornemens te zijn de inbeslaggenomen zaak te doen teruggeven aan een ander dan de beslagene - zal de rechtbank moeten beoordelen of die ander redelijkerwijs als rechthebbende op de zaak kan worden aangemerkt. Bij de beantwoording van die vraag zal de rechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar daarbij zal hij wel civielrechtelijke aspecten mogen betrekken (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov 2.12 en 2.13). Dat uitgangspunt van terughoudendheid geldt te meer indien voor de beoordeling van die kwesties het recht van een ander land van belang kan zijn. De door het middel verdedigde opvatting dat naar Belgisch recht had moeten worden vastgesteld of de klaagster redelijkerwijs als rechthebbende van de inbeslaggenomen personenauto kan worden aangemerkt, vindt derhalve geen steun in het recht.
2.5.
De klacht faalt. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 november 2018.