Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
20 november 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland die het beklag tegen het beslag op hennepzaden ongegrond verklaarde. Klager voerde aan dat het bezit van hennepzaden niet strafbaar is en dat deze zaden niet onder de Opiumwet vallen, waardoor het beslag onterecht zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat het belang van de strafvordering zich verzet tegen teruggave van de hennepzaden, mede gelet op de aantijgingen van betrokkenheid bij hennepteelt en de aanwezigheid van kwekerij-gerelateerde goederen. De rechtbank achtte het niet onwaarschijnlijk dat de zaden bij bewezenverklaring verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer zouden worden.
De Hoge Raad stelt vast dat de klacht faalt omdat de opvatting dat voor verbeurdverklaring het bezit strafbaar moet zijn, geen steun vindt in het recht. Ook is de stelling dat hennepzaden niet als 'stoffen' of 'voorwerpen' in de zin van art. 11a Opiumwet kunnen worden aangemerkt, onjuist. Het beroep wordt daarom verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op de hennepzaden blijft gehandhaafd.