Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
20 november 2018.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag dat hem veroordeelde voor medeplegen en het voorhanden hebben van een luchtdrukpistool, een voorwerp dat qua vorm en afmetingen sterk lijkt op een vuurwapen. De verdediging stelde dat art. 3, aanhef en onder a, van de Regeling wapens en munitie (RWM) onverbindend was wegens strijd met het lex certa-beginsel, omdat het onduidelijkheid zou scheppen over de toepassing op luchtdrukwapens.
De Hoge Raad heeft dit middel onderzocht en verwees daarbij naar de motieven en overwegingen in een samenhangende zaak (ECLI:NL:HR:2018:2153). Op basis daarvan concludeerde de Hoge Raad dat het middel niet tot cassatie kon leiden omdat de regeling niet in strijd is met het lex certa-beginsel.
Het beroep van de verdachte werd daarom verworpen. De uitspraak bevestigt de geldigheid van de regeling omtrent luchtdrukwapens binnen het wapenrecht en onderstreept de juridische grenzen van het lex certa-beginsel in dit kader.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen en bezit van een luchtdrukpistool blijft in stand.