In deze zaak stond de billijke vergoeding voor thuiskopieën centraal, geregeld in artikel 16c lid 1 en lid 2 van de Auteurswet en uitgewerkt in algemene maatregelen van bestuur. HP c.s. betwistte de geldigheid van deze regeling en stelde dat deze strijdig zou zijn met de Auteursrechtrichtlijn. De procedure begon bij de rechtbank Den Haag, waarna het gerechtshof Den Haag het geschil behandelde en een arrest uitvaardigde dat door HP c.s. in cassatie werd aangevochten.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van HP c.s. verworpen. De klachten die HP c.s. aanvoerde, leidden niet tot cassatie omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad bevestigde daarmee de geldigheid van de regeling omtrent de billijke vergoeding voor thuiskopieën en het licentiemodel dat daarin wordt gehanteerd.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad over procedurele aspecten zoals het kort voor de zitting inbrengen van een deskundigenrapport en het waarborgen van hoor en wederhoor. De kosten van het cassatiegeding werden aan HP c.s. opgelegd. Het arrest werd gewezen door de vicepresident en raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.