Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
7 december 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of er sprake was van een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige tussen de ouders klem of verloren zou raken in het kader van een ondertoezichtstelling en gezamenlijk gezag. De moeder had tegen de beschikking van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch die aan het arrest zijn gehecht. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. De klachten van de moeder konden niet leiden tot cassatie en behoefden geen nadere motivering omdat zij niet relevant waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad heeft het beroep van de moeder verworpen en daarmee de beschikking van het hof bekrachtigd. De uitspraak betreft toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro in combinatie met bepalingen uit het personen- en familierecht, waaronder art. 1:251a lid 1 BW en art. 1:253n lid 1 BW.
De beschikking is gegeven door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 7 december 2018.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de beschikking van het hof blijft in stand.