In deze zaak stond centraal de vraag of de instorting van een bedrijfspand door een constructiefout was veroorzaakt, waardoor de verzekeraars op grond van een uitsluitingsclausule in de Nederlandse Beurspolis voor Uitgebreide Gevaren de uitkering mochten weigeren. Het pand was ingestort na extreme sneeuwval in november 2005. De verzekeraars weigerden uitkering omdat zij stelden dat de instorting het gevolg was van een constructiefout.
De rechtbank wees de vordering van de eigenaar van het pand af, maar het hof vernietigde dit vonnis en veroordeelde de verzekeraars tot uitkering. In cassatie richtten de verzekeraars zich tegen het oordeel van het hof dat onvoldoende bewijs was geleverd voor de constructiefout. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en bevestigde daarmee het oordeel van het hof over het bewijs.
Daarnaast was er een geschil over de proceskostenveroordeling in het incidentele hoger beroep. De verzekeraars waren door de rechtbank in het gelijk gesteld en hadden in het incidenteel hoger beroep alleen verweer gevoerd. De Hoge Raad vernietigde de proceskostenveroordeling van de verzekeraars in het incidentele hoger beroep, omdat het onjuist is om hen daarvoor te veroordelen wanneer zij alleen verweer voeren na een eerdere uitspraak in hun voordeel.
De Hoge Raad veroordeelde de verzekeraars wel tot betaling van de proceskosten van het cassatiegeding. Het arrest bevestigt de uitleg van de polis en de voorwaarden waaronder proceskostenveroordelingen in incidenteel hoger beroep kunnen worden opgelegd.