Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
11 december 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of een getuige die op meerdere tijdstippen weigerde te antwoorden op vragen in strijd handelde met de wettelijke verplichting ex art. 192 lid 1 Sr Pro of dat het beroep op het verschoningsrecht ex art. 219 Sv Pro toekwam. De verdachte, in hoedanigheid van getuige, had zich beroepen op het verschoningsrecht en weigerde antwoorden te geven tijdens het zogenaamde Passageproces.
Het Gerechtshof Amsterdam had eerder een arrest gewezen waarin de kwestie speelde. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was, mede verwijzend naar een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2018:2277).
De Hoge Raad bevestigde hiermee dat het beroep op het verschoningsrecht in deze context toekomt en dat het weigeren van antwoorden door de getuige niet zonder meer een strafbare weigering is. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 11 december 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de strafrechtelijke beoordeling van het hof.