Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
27 november 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor poging tot doodslag nabij station Almere door met een mes in de schouder van een ander te steken. Tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad. Echter heeft de verdachte geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn, zoals vereist op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Hoge Raad beoordeelde daarom de ontvankelijkheid van het beroep en concludeerde dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het voorschrift van tijdige indiening niet is nageleefd. Hierdoor kon de Hoge Raad inhoudelijk niet op de zaak ingaan.
Het arrest van de Hoge Raad werd uitgesproken op 27 november 2018 door raadsheer A.J.A. van Dorst, waarna de verdachte formeel niet-ontvankelijk werd verklaard in het cassatieberoep. Dit betekent dat het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Hoge Raad verklaart verdachte niet-ontvankelijk in cassatieberoep wegens niet tijdig indienen van middelen.