ECLI:NL:HR:2018:2292

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 december 2018
Publicatiedatum
11 december 2018
Zaaknummer
17/02290
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 SvArt. 94 SvArt. 94a SvArt. 447 SvArt. 552a Sv
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid ondertekende beschikking en gevolgen voor beslag op woning en geld wegens verdenking witwassen

In deze zaak stond centraal of een beschikking van een enkelvoudige kamer van de rechtbank nietig is vanwege het ontbreken van de handtekening van de voorzitter, terwijl alleen de griffier had getekend. De beschikking betrof beslaglegging op de woning van de klaagster en een geldbedrag van haar echtgenoot in verband met verdenking van witwassen.

De klaagster stelde dat het niet ondertekenen door de voorzitter in strijd was met artikel 24, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en dat dit tot nietigheid van de beschikking moest leiden. De Hoge Raad overwoog dat dit voorschrift niet van zodanige essentiële aard is dat de enkele niet-naleving daarvan nietigheid tot gevolg heeft, mede gelet op de wetsgeschiedenis.

Daarnaast was er een door de griffier gewaarmerkte stempelafdruk 'voor afschrift' op de fotokopie van de beschikking, waarmee werd vastgesteld dat het afschrift dezelfde inhoud had als de door de enkelvoudige kamer gewezen en uitgesproken beschikking. Dit leidde tot verwerping van het beroep van de klaagster.

De Hoge Raad bevestigde hiermee dat de procedurele onvolkomenheid in de ondertekening niet tot nietigheid leidt wanneer de inhoud van de beschikking onbetwist is en door de griffier is gewaarmerkt. De beschikking blijft daarmee rechtsgeldig.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen; het ontbreken van de handtekening van de voorzitter leidt niet tot nietigheid van de beschikking.

Uitspraak

11 december 2018
Strafkamer
nr. S 17/02290 B
MD/CB
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 26 april 2017, nummer RK 17/78, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klaagster], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft J.S. Nan, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt dat de beschikking van de enkelvoudige kamer van de Rechtbank in strijd met art. 24, tweede lid, Sv niet is ondertekend door de rechter die het klaagschrift heeft behandeld.
2.2.
Bij de op de voet van art. 447, tweede lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een fotokopie van de in het middel genoemde beschikking, welke beschikking alleen door de griffier is ondertekend en niet door de behandeld rechter op de grond dat deze daartoe buiten staat is.
2.3.
Art. 24, tweede en derde lid, Sv luidt:
"2. De beschikking vermeldt de namen van de leden van het college, door wie en de dag waarop zij is gewezen. Zij wordt ondertekend door de voorzitter en de griffier die bij de behandeling tegenwoordig is geweest.
3. Bij ontstentenis van de voorzitter tekent een lid van de raadkamer. Indien de griffier niet tot ondertekening in staat is wordt daarvan in de beschikking melding gemaakt."
2.4.
Voor zover het middel berust op de opvatting dat het voorschrift van art. 24, tweede lid, Sv inzake de ondertekening van de beschikking van zodanig essentiële aard is dat de enkele niet-naleving daarvan nietigheid tot gevolg heeft, faalt het omdat die opvatting - mede gelet op de wetsgeschiedenis die in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.7 is weergegeven - onjuist is.
2.5.
Het middel betoogt voorts dat niet "buiten twijfel kan worden gesteld dat het daadwerkelijk om de door de rechter gegeven en in het openbaar uitgesproken beschikking gaat". Op voormelde fotokopie is een door de griffier gewaarmerkte stempelafdruk "voor afschrift" geplaatst. Op grond daarvan moet worden aangenomen dat de griffier aldus heeft vastgesteld dat dit afschrift dezelfde inhoud heeft als de door enkelvoudige kamer van de Rechtbank gewezen en uitgesproken beschikking. Daarop stuit de klacht af.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 december 2018.