Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Gelderlandvan 20 april 2018, nr. AWB 17/3023, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 8 maart 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland inzake een verzetprocedure. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep en concludeerde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden.
Na beraad en gehoord de Procureur-Generaal besloot de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. Dit betekent dat de Hoge Raad niet inhoudelijk op de klachten is ingegaan.
Het arrest is op 14 december 2018 uitgesproken door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools. De procedure betreft bestuursrechtelijke en belastingrechtelijke aspecten, waarbij het cassatieberoep werd afgewezen wegens procedurele ontvankelijkheidsgronden.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.