In deze zaak vorderde [verweerster], een pioenkwekerij, schadevergoeding van [eiseressen], een loonspuitbedrijf, wegens schade aan pioenrozen veroorzaakt door bespuiting met een verontreinigde spuitmachine. De rechtbank en het hof hadden geoordeeld dat [eiseressen] tekort waren geschoten in hun zorgplicht door de spuitmachine onvoldoende te reinigen, waardoor glyfosaat en carfentrazone schade veroorzaakten.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof ten onrechte voorbijging aan het algemene aanbod van [eiseressen] om tegenbewijs te leveren via getuigen, hetgeen niet gespecificeerd hoeft te zijn. Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat het hof onvoldoende aandacht had besteed aan de stellingen van [eiseressen] over de draagkracht en de mogelijke financiële gevolgen van een volledige schadevergoeding, waardoor het oordeel over matiging van de schadevergoeding niet voldoende gemotiveerd was.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof Amsterdam en verwees de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling, met name om de matiging van de schadevergoeding opnieuw te beoordelen. Tevens werd [verweerster] veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.