Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
18 december 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het feitelijk leidinggeven aan een criminele organisatie die zich schuldig maakte aan gewoonte mensensmokkel, opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting en gewoontewitwassen. Tevens werd hij veroordeeld als leider van deze organisatie op grond van artikel 140, derde lid, Sr.
Het cassatieberoep richtte zich met name op de vraag of het hof ten onrechte had geoordeeld dat verdachte de leider van de organisatie was. De Hoge Raad verwijst naar een samenhangende zaak (ECLI:NL:HR:2018:2331) en oordeelt dat de aangevoerde gronden niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad bevestigt daarmee het oordeel van het hof en verwerpt het beroep. Hiermee blijft de veroordeling van verdachte voor de genoemde strafbare feiten en zijn rol als leider van de organisatie in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van verdachte als leider van de criminele organisatie blijft in stand.