Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
18 december 2018.
Hoge Raad
In deze zaak is het beklag van klager gericht tegen de beslissing van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om zijn verzoek tot teruggave van bepaalde inbeslaggenomen goederen ongegrond te verklaren. Klager was in hoger beroep veroordeeld voor diefstal met braak of inklimming, waarbij het hof in het arrest van 22 februari 2016 bepaalde dat sommige voorwerpen aan rechthebbenden werden teruggegeven en voor de overige de bewaring ten behoeve van de rechthebbende werd gelast.
Klager stelde dat het hof het verzoek tot teruggave had moeten toetsen aan artikel 353 Sv Pro, dat voorschrijft dat inbeslaggenomen goederen worden teruggegeven aan de beslagene tenzij onredelijke gevolgen zich voordoen. Het hof oordeelde echter dat artikel 353 Sv Pro alleen geldt voor de strafrechter bij eindvonnis en dat bij onherroepelijke beslissingen de beklagrechter alleen moet beoordelen of klager als rechthebbende kan worden aangemerkt.
De Hoge Raad bevestigde dit standpunt en verwierp het middel dat het hof onvoldoende had gemotiveerd wanneer klager als rechthebbende kan worden aangemerkt. Het hof had voldoende gemotiveerd dat klager niet aannemelijk had gemaakt dat hij rechthebbende was, ondanks feitelijk bezit van de goederen. Het beroep werd verworpen en het beklag ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het beklag tot teruggave wordt ongegrond verklaard.