Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
18 december 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte die feitelijke leiding gaf aan een besloten vennootschap waarin ruim 18 kilo henneprestanten werden aangetroffen. De verdachte voerde aan dat de hennep bestemd was voor de productie van heilzame thee of cannabidiol-olie (CBD-olie) en dat de uitzondering in artikel 12 van Pro het Opiumwetbesluit van toepassing zou zijn.
Het hof verwierp dit verweer omdat de uitzondering in artikel 12 Opiumwetbesluit Pro uitsluitend ziet op handelingen die onlosmakelijk verbonden zijn met het productieproces van vezelhennep, en niet op het aanwezig hebben van hennep zoals bedoeld in artikel 3, onderdeel C, van de Opiumwet. De Hoge Raad bevestigde dat de uitzondering ook kan gelden voor het aanwezig hebben van hennep indien dit onlosmakelijk verbonden is met het productieproces van vezelhennep, maar oordeelde dat dit in deze zaak niet aan de orde was omdat de hennep niet voor vezelproductie was bestemd.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het hof. De strafrechtelijke veroordeling voor het aanwezig hebben van hennep bleef in stand.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt veroordeling voor feitelijke leiding aan aanwezig hebben van ruim 18 kilo hennep.