Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De conclusie van de Advocaat-Generaal
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
18 december 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een strafrechtelijke veroordeling wegens opzettelijke overtreding van artikel 2, derde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening. De aanvrager werd door het Hof veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf. De aanvraag tot herziening is gebaseerd op de stelling dat, indien het Hof destijds bekend was geweest met een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 10 juli 2014, de uitkomst van de zaak tot vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging had moeten leiden.
De kernvraag is of het Unierecht een zodanig ruime interpretatie van de herzieningsgronden in artikel 457 Sv Pro vereist dat een uitspraak van het HvJ EU aanleiding moet geven tot herziening van een eerdere strafrechtelijke veroordeling wanneer deze achteraf onverenigbaar blijkt met het Unierecht. Een vergelijkbare prejudiciële vraag is door het Oostenrijkse Oberste Gerichtshof aan het HvJ EU voorgelegd in zaak C-234/17.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de behandeling van het cassatieberoep geschorst moet worden totdat het HvJ EU uitspraak heeft gedaan. Na het arrest van het HvJ EU op 24 oktober 2018 heeft de Hoge Raad besloten de zaak naar de rolzitting te verwijzen om de Advocaat-Generaal in de gelegenheid te stellen haar conclusie aan te vullen op basis van de nieuwe uitspraak.
De Hoge Raad heeft het verzoek tot herziening nog niet inhoudelijk beoordeeld en houdt iedere verdere beslissing aan. Dit tussenarrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 18 december 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad verwijst de zaak naar de rolzitting en houdt verdere beslissing aan in afwachting van nadere conclusies en HvJ EU-uitspraak.