Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2018:2358

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2018
Publicatiedatum
19 december 2018
Zaaknummer
17/04504
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 8:73 AwbArt. 8:74 AwbArt. 8:75 AwbArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling wettelijke rente bij vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn

Belanghebbende had een schadevergoeding van €1000 toegekend gekregen wegens overschrijding van de redelijke termijn door de Inspecteur. De rechtbank stelde deze vergoeding vast, waarbij de overschrijding werd toegerekend aan de bezwaarfase.

In hoger beroep stelde belanghebbende dat ook wettelijke rente over deze vergoeding verschuldigd was. Het hof oordeelde dat wettelijke rente verschuldigd was vanaf vier weken na de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de Inspecteur tot betaling hiervan, maar wees proceskosten en griffierecht af.

In cassatie betoogde belanghebbende dat de rechtbank ook over de wettelijke rente had moeten beslissen. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank dit niet hoefde te doen als er niet om was verzocht. De wettelijke rente ontstaat immers rechtstreeks uit de wet en het niet tijdig betalen van de vergoeding.

De Hoge Raad bevestigde dat de wettelijke rente pas gaat lopen vier weken na de datum van de uitspraak waarin de vergoeding is vastgesteld, ook als tegen die uitspraak hoger beroep mogelijk is. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees proceskosten af.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; de rechter hoeft niet te beslissen over wettelijke rente als hier niet om is verzocht.

Uitspraak

21 december 2018
Nr. 17/04504
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof 's-Hertogenboschvan 24 augustus 2017, nr. 16/03495, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 15/2659) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 26 mei 2016 de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van uitspraak. De Rechtbank heeft deze vergoeding vastgesteld op € 1000. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de redelijke termijn met een jaar en negen maanden is overschreden, en dat die overschrijding geheel is toe te rekenen aan de duur van de bezwaarfase.
2.1.2.
Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de Inspecteur wettelijke rente is verschuldigd over de hiervoor in 2.1.1 bedoelde vergoeding.
2.1.3.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van die wettelijke rente en dat zijn klacht daarom slaagt. Het Hof heeft al hetgeen belanghebbende voor het overige in hoger beroep had aangevoerd tegen de uitspraak van de Rechtbank verworpen.
Het Hof heeft vervolgens het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank bevestigd, en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade ter hoogte van € 1000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 26 mei 2016, tot aan de dag van algehele voldoening.
2.1.4.
Het Hof heeft de Inspecteur niet veroordeeld in de proceskosten die belanghebbende voor het hoger beroep heeft gemaakt. Ook heeft het Hof de Inspecteur niet veroordeeld tot vergoeding van het door belanghebbende voor het hoger beroep betaalde griffierecht. Het Hof heeft geoordeeld dat het enkele feit dat het Hof vaststelt dat de Inspecteur wettelijke rente dient te vergoeden over de vergoeding van immateriële schade, vergoeding van proceskosten en griffierecht niet rechtvaardigt.
2.2.1.
Middel I is gericht tegen de hiervoor in 2.1.4 weergegeven oordelen van het Hof.
2.2.2.
Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 6:119 BW Pro wettelijke rente is verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Deze rente is verschuldigd over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest met de voldoening van die geldsom.
Omwille van de praktische uitvoerbaarheid moet als uitgangspunt worden gehanteerd dat de uiterste datum waarop de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn moet worden betaald, is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin de veroordeling tot vergoeding van deze schade is opgenomen, is gedaan. Pas als de vergoeding op die uiterste datum niet is betaald, raakt de schuldenaar in verzuim en gaat de wettelijke rente lopen vanaf de dag na die uiterste datum. Dit uitgangspunt geldt ook indien de veroordeling tot schadevergoeding is neergelegd in een uitspraak waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend en evenzeer wanneer de werking van de desbetreffende uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel is verstreken of, indien dat rechtsmiddel is ingesteld, daarop is beslist. Zie voor dit een en ander het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2016, nr. 14/05747, ECLI:NL:HR:2016:315.
Opmerking verdient dat dit uitgangspunt evenzeer geldt indien de rechter vaststelt dat in een vorige fase van het geding ten onrechte niet een schadevergoeding als hiervoor bedoeld, is vastgesteld, en die rechter deze vergoeding alsnog toekent. Dan gaat de wettelijke rente dus niet eerder lopen dan vier weken nadat die rechter alsnog een veroordeling in zijn uitspraak heeft opgenomen.
2.2.3.
Anders dan het middel kennelijk veronderstelt, behoefde de Rechtbank in haar uitspraak niet een beslissing over de wettelijke rente op te nemen. Belanghebbende had immers voor de Rechtbank geen aanspraak gemaakt op vergoeding van wettelijke rente. Slechts indien de belanghebbende daarop wel aanspraak maakt, dient de rechter die de verplichting tot vergoeding van immateriële schade vaststelt, te beslissen dat, indien die vergoeding niet tijdig wordt voldaan, de wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum waarop zijn uitspraak is gedaan. Indien de rechter in een zodanig geval nalaat op die aanspraak te beslissen, staat zijn uitspraak op die grond bloot aan vernietiging.
Het voorgaande neemt niet weg dat de verschuldigdheid van wettelijke rente en de verplichting om die rente te vergoeden - ongeacht of de betaling van die rente bij de rechter is gevorderd - rechtstreeks voortvloeien uit a) de wet (artikel 6:119 BW Pro), b) de vaststelling door de rechter van de verplichting tot vergoeding van immateriële schade in verband met het tijdsverloop, en c) het niet tijdig betalen. Het Hof is daarom terecht ervan uitgegaan dat de wettelijke rente over die schadevergoeding is gaan lopen vier weken na de datum waarop de uitspraak van de Rechtbank is gedaan.
2.2.4.
Omwille van de praktische uitvoerbaarheid moet ook voor wettelijke rente over een door de rechter uitgesproken veroordeling tot vergoeding van griffierecht (artikel 8:74 Awb Pro) of (proces)kosten (artikel 8:75 Awb Pro) het uitgangspunt gelden dat de uiterste datum waarop aan deze veroordelingen moet zijn voldaan, is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin de veroordeling is opgenomen, is gedaan. Hetgeen hiervoor in 2.2.3 is geoordeeld, geldt dus ook voor wettelijke rente over veroordelingen tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
2.2.5.
Omdat belanghebbende voor de Rechtbank geen aanspraak heeft gemaakt op vergoeding van wettelijke rente en belanghebbende dat voor het eerst in hoger beroep heeft gedaan, kon de uitspraak van het Hof over die aanspraak niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. Voor zover belanghebbende in hoger beroep erover heeft geklaagd dat de Rechtbank geen beslissing heeft genomen inzake de wettelijke rente over de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, was die klacht daarom ongegrond. De overweging van het Hof dat die klacht slaagt, berust op een onjuiste rechtsopvatting.
2.2.6.
Het middel betoogt, kort gezegd, dat het Hof aan de constatering dat de klacht slaagt, de gevolgtrekking had moeten verbinden dat het hoger beroep gegrond is en dat belanghebbende daarom recht heeft op vergoeding van proceskosten en griffierecht. Dit betoog faalt omdat het Hof, zoals hiervoor in 2.2.5 is overwogen, had moeten oordelen dat die klacht faalt. Terecht, zij het in zoverre op verkeerde gronden, is het Hof tot de slotsom gekomen dat deze klacht niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep kan leiden.
2.3.
De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2018.