Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
18 december 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte in een omvangrijke mensenhandelzaak, waarbij medeplegen van diefstal met geweld en deelneming aan een criminele organisatie werd betwist. De verdachte werd sinds april 2012 in voorlopige hechtenis gehouden. De verdediging voerde aan dat de redelijke termijn voor berechting met 30 maanden was overschreden, wat een strafvermindering van ten minste 25% rechtvaardigde.
Het hof stelde vast dat de zaak door de complexiteit en internationale samenwerking langdurig was, maar dat de overschrijding van de redelijke termijn slechts een strafvermindering van maximaal zes maanden rechtvaardigde. Het hof vond de stelling van de verdediging niet ondersteund door het recht en beperkte de strafvermindering tot deze termijn.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet onbegrijpelijk had geoordeeld en dat de verwerping van het verweer van de verdediging stand hield. De overige middelen van cassatie werden eveneens verworpen. De Hoge Raad bevestigde daarmee de beperkte strafvermindering en verwierp het beroep van de verdachte.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt een strafvermindering van zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt het cassatieberoep.