ECLI:NL:HR:2018:2389

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2018
Publicatiedatum
20 december 2018
Zaaknummer
18/00923
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55 AWRArt. 80 AWRArt. 6 Wet PolitiegegevensArt. 46 Wet PolitiegegevensArt. 6 Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gebruik strafvorderlijke gegevens door inspecteur zonder schriftelijke toestemming officier van justitie is toelaatbaar

Belanghebbende werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2008 tot en met 2011, gebaseerd op gegevens verkregen tijdens een strafrechtelijk onderzoek door de FIOD. Deze gegevens betroffen onder meer administratieve bescheiden en een computer die tijdens een huiszoeking in beslag waren genomen.

Belanghebbende voerde aan dat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de aanslagen geen schriftelijke toestemming van de officier van justitie had om de strafvorderlijke gegevens te gebruiken, en dat deze gegevens daarom als bewijs uitgesloten moesten worden. Het hof verwierp deze stelling en oordeelde dat de gegevens rechtmatig aan de inspecteur waren verstrekt.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde vast dat de wet geen eis stelt dat de toestemming schriftelijk moet zijn vastgelegd. De relevante wettelijke bepalingen bieden een grondslag voor het gebruik van strafvorderlijke gegevens door de inspecteur zonder dat een aparte schriftelijke toestemming vereist is. Overleg met de officier van justitie kan plaatsvinden, maar is niet noodzakelijk voor de toelaatbaarheid van het gebruik van deze gegevens voor belastingheffing.

De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en wees de vordering van belanghebbende af. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; het gebruik van strafvorderlijke gegevens door de inspecteur zonder schriftelijke toestemming is toelaatbaar.

Uitspraak

21 december 2018
Nr. 18/00923
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 23 januari 2018, nrs. 16/01155 tot en met 16/01158, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. ARN 15/2715 tot en met ARN 15/02717 en ARN 15/2719) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 2008 tot en met 2010 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de aan hem voor het jaar 2011 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Op 14 mei 2012 heeft de FIOD onder leiding van de rechter-commissaris in het kader van een strafrechtelijk onderzoek een huiszoeking uitgevoerd op het woonadres van belanghebbende. Daarbij heeft de FIOD diverse administratieve bescheiden en een computer in beslag genomen. In de loop van het opsporingsonderzoek zijn diverse personen als getuige gehoord.
2.1.2.
Bij brief van 23 januari 2013 heeft de Inspecteur onder meer het volgende aan belanghebbende medegedeeld:
“Uit het strafrechtelijk onderzoek dat in dit kader is ingesteld blijkt dat u de afgelopen jaren tegen betaling aangiften voor derden heeft ingevuld.
De officier van justitie heeft de Belastingdienst toestemming gegeven om de informatie die wordt verkregen in het kader van dit strafrechtelijk onderzoek te gebruiken voor de heffing en invordering van belastingen.”
2.1.3.
De Inspecteur heeft een schatting gemaakt van het inkomen dat belanghebbende heeft verworven met het invullen van belastingaangiften. Dat inkomen heeft hij als resultaat uit overige werkzaamheden begrepen in de navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over de jaren 2008 tot en met 2010 en de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2011. Belanghebbende is ter zake van deze (navorderings)aanslagen in bezwaar en beroep gekomen.
2.1.4.
De Officier van Justitie heeft, nadat belanghebbende beroep had ingesteld bij de Rechtbank, in zijn brief aan de Inspecteur van 23 juli 2015 toestemming verleend de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek voor de uitvoering van de belastingwet te gebruiken.
2.2.
Voor het Hof was niet in geschil dat de hiervoor bedoelde gegevens op rechtmatige wijze aan de Inspecteur zijn verstrekt.
Belanghebbende heeft echter gesteld dat het FIOD‑dossier als bewijsmiddel dient te worden uitgesloten omdat de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de (navorderings)aanslagen geen toestemming van de Officier van Justitie had gekregen tot het gebruik daarvan, en evenmin is gebleken dat hij die gegevens op grond van artikel 55 AWR Pro in bezit had gekregen.
2.3.
Het Hof heeft deze stelling verworpen. Het middel komt daartegen op met het betoog dat het FIOD-dossier van het bewijs dient te worden uitgesloten omdat de Inspecteur niet heeft bewezen dat hem ten tijde van het opleggen van de (navorderings)aanslagen schriftelijke toestemming was verleend tot het gebruik daarvan door de Officier van Justitie.
2.4.
Dienaangaande heeft het volgende te gelden. Voor zover gegevens die zijn verkregen in het kader van een strafvorderlijk onderzoek voor de belastingheffing van belang kunnen zijn, is in een wettelijke grondslag voor bekendmaking ervan aan de inspecteur voorzien door onder meer de artikelen 55 en 80 AWR, artikelen 6 en 46 van de Wet Politiegegevens in samenhang met artikel 6 van Pro het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten, en artikel 39f van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Geen van deze bepalingen biedt een aanknopingspunt om aan de beslissing tot verstrekking van de desbetreffende gegevens aan de inspecteur de eis te stellen dat die beslissing uit een geschrift moet blijken.
Geen rechtsregel brengt voorts mee dat het gebruik van de aldus verkregen strafvorderlijke gegevens voor de belastingheffing onderworpen is aan een afzonderlijke instemming van degene die de gegevens heeft verstrekt. Deze gegevens worden immers aan de inspecteur verstrekt omdat zij voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. Het vorenstaande laat onverlet dat de inspecteur overleg kan voeren met de officier van justitie over het gebruik van strafvorderlijke gegevens, bijvoorbeeld met het oog op de toepassing van artikel 5:44 Awb Pro. Of zulk overleg heeft plaatsgevonden is niet van belang voor het antwoord op de vraag of het gebruik van die strafvorderlijke gegevens voor heffingsdoeleinden toelaatbaar is.
2.5.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4 is overwogen, kan het middel niet tot cassatie leiden, wat er zij van de door het Hof gebezigde gronden.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2018.