Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
20 februari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag in een strafzaak over meermalen gepleegd witwassen. Verdachte had sieraden en munten omgezet in geld bij een juwelier, waarvan werd vastgesteld dat deze afkomstig waren uit enig misdrijf. De Hoge Raad oordeelde dat de bewijsklachten over de wetenschap van verdachte niet tot cassatie konden leiden.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en het arrest meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep werd gewezen. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze van twaalf maanden naar tien maanden en drie weken. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd de straf met ruim een maand verminderd vanwege de termijnoverschrijding.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren Van de Griend en Boerlage, in aanwezigheid van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, tijdens een openbare terechtzitting op 20 februari 2018.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot tien maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.