Uitspraak
[X] ltdte
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 7 mei 2018, nr. SGR 17/7474 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 7 februari 2018.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake een belastingrechtelijk geschil. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende meerdere malen schriftelijk verzocht het griffierecht binnen de gestelde termijn te voldoen. Deze aanmaningen zijn wegens onbestelbaarheid teruggezonden en vervolgens per gewone brief naar het opgegeven adres verzonden. Ondanks deze inspanningen heeft belanghebbende het griffierecht niet betaald en ook niet gereageerd op de verzoeken om opheldering.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het beroep in cassatie worden verklaard niet-ontvankelijk indien het griffierecht niet tijdig wordt voldaan. De Hoge Raad heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tevens heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten.
Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2018.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.