Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 29 mei 2018, nr. 17/00330, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van het Hof van 31 januari 2018.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam. Hij deed een beroep op betalingsonmacht voor het griffierecht en leverde een verklaring omtrent afwezigheid van vermogen en een betalingsspecificatie van zijn WAO-uitkering over april 2018.
De griffier van de Hoge Raad heeft het beroep op betalingsonmacht afgewezen omdat niet aan de criteria was voldaan. Vervolgens is belanghebbende schriftelijk gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Ondanks meerdere aanmaningen is het griffierecht niet betaald en heeft belanghebbende geen nadere uitleg gegeven.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Het arrest is op 21 december 2018 in het openbaar gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.