ECLI:NL:HR:2018:2424

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 november 2018
Publicatiedatum
21 januari 2019
Zaaknummer
17/01061
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 415.2 SvArt. 300.1 Sr
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieverwerping mishandeling door zwangere vrouw in aanwezigheid van minderjarige zoon

De zaak betreft een cassatieberoep van een vrouw die werd veroordeeld wegens mishandeling door haar 11-jarige zoon meermalen te schoppen. Het hof Den Haag had haar veroordeeld, maar de verdediging stelde onder meer dat het onderzoek onvoldoende gericht was op haar bezwaren tegen het vonnis en dat het hof geen kennis had genomen van verhoren bij de raadkamer.

De Hoge Raad oordeelde dat er geen sprake was van schending van artikel 415, tweede lid, Sv, ondanks dat het hof geen kennis had genomen van de raadkamerverhoren. De betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster en haar echtgenoot werd bevestigd. Verder was het hof niet bevoegd om volstaan met een verwijzing naar het bestreden vonnis bij het bepleiten van vrijspraak.

Ook werd geoordeeld dat het hof ten onrechte persoonlijke omstandigheden van de verdachte betrok in de strafmotivering terwijl zij niet ter terechtzitting aanwezig was. Daarnaast werd een overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld. Desondanks leidde dit niet tot cassatie, omdat de middelen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaakten.

De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee het arrest van het hof Den Haag van 6 december 2016.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling wegens mishandeling.

Uitspraak

20 november 2018
Strafkamer
nr. S 17/01061
AKA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van
6 december 2016, nummer 22/001317-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1966.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president
W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 november 2018.