Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
18 december 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken voor vernieling, waarbij het hof het vonnis van de politierechter bevestigde. De strafoplegging was gemotiveerd met verwijzing naar het strafblad van de verdachte en het feit dat geen ruimte meer was voor een werkstraf.
De Hoge Raad oordeelde dat deze motivering niet voldeed aan de eisen van artikel 359, zesde lid, Sv, omdat niet specifiek werd aangegeven waarom een vrijheidsbenemende straf werd opgelegd in plaats van een werkstraf. Dit gebrek aan motivering leidt volgens artikel 359, achtste lid, Sv tot nietigheid van het strafopleggingsdeel van het arrest.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling en beslissing over de straf. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 18 december 2018.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.