ECLI:NL:HR:2018:2436

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2018
Publicatiedatum
29 januari 2019
Zaaknummer
18/00676
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 11a OpiumwetArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering geldboete wegens overschrijding redelijke termijn in growshopzaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in een strafzaak over een growshopexploitatie en de toepassing van het growshopverbod onder artikel 11a van de Opiumwet.

De verdachte voerde aan dat na 1 maart 2015 de bedrijfsvoering was aangepast, waardoor geen criminele intentie meer bestond. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en gaf geen verdere motivering, conform artikel 81, eerste lid, RO.

Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden en de cassatiefase meer dan twee jaar duurde. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde geldboete van €10.000 naar €9.000, en de vervangende hechtenis van 85 naar 80 dagen.

De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis en verwierp het beroep voor het overige.

Het arrest werd gewezen door vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers op 18 december 2018.

Uitkomst: Vermindering van geldboete naar €9.000 en vervangende hechtenis naar 80 dagen wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

18 december 2018
Strafkamer
nr. S 18/00676
SLU
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 oktober 2016, nummer 20/000219-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Iran) op [geboortedatum] 1969.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft L.E.M. Hendriks, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Procureur-Generaal J. Silvis heeft geconcludeerd tot vermindering van de opgelegde straf wegens schending van de redelijke termijn in de mate die de Hoge Raad gepast acht en voorts tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 10.000,-, subsidiair 85 dagen hechtenis.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;
vermindert de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze € 9000,-, subsidiair 80 dagen hechtenis, bedragen;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 december 2018.