Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
20 februari 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd verweten op 29 juli 2015 twee politieambtenaren te hebben bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht door te zeggen dat hij hun namen zou doorgeven aan de criminele onderwereld, waardoor zij niet meer veilig zouden zijn.
Het Hof Den Haag verklaarde deze bedreiging bewezen en oordeelde dat onder de gegeven omstandigheden bij de verbalisanten in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij slachtoffer zouden worden van een misdrijf tegen het leven. De verdediging voerde aan dat de uitlatingen niet als zodanig konden worden opgevat en dat de bedreiging onvoldoende concreet was.
De Hoge Raad herhaalt de eis dat de bedreiging van dien aard moet zijn dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kan ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat uit de bewijsvoering niet zonder meer volgt dat de bedreiging zodanig was dat de verbalisanten die vrees redelijkerwijs konden hebben. De boosheid en agressiviteit van de verdachte rechtvaardigen die conclusie niet.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft en wijst de zaak terug aan het Hof Den Haag voor hernieuwde behandeling.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest voor de bewezenverklaring en strafoplegging van bedreiging en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.