Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
20 februari 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in een strafzaak tegen verdachte wegens oplichting. Het hof had het verzoek tot aanhouding van de behandeling afgewezen omdat niet aannemelijk was dat verdachte zich in de zittingsdatum had vergist. De Hoge Raad bevestigde dat het hof niet tot een nadere belangenafweging hoefde te komen.
Ten aanzien van het bewezenverklaarde feit 4 over de betaling van een geldbedrag aan aangeefster wegens schilder- en isolatiewerkzaamheden, oordeelde het hof dat verdachte een samenweefsel van verdichtsels had gebruikt door een onjuiste voorstelling van zaken te presenteren. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd als juist en begrijpelijk.
Voor feit 9, waarbij verdachte een auto zou hebben verkregen met de toezegging deze later te betalen, oordeelde het hof eveneens dat sprake was van een samenweefsel van verdichtsels. De Hoge Raad stelde echter vast dat uit de bewijsvoering slechts bleek dat verdachte niet had betaald, maar niet dat sprake was van een samenweefsel van verdichtsels. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het feit 9 en de strafoplegging betreft en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.
De Hoge Raad benadrukte het belang van een juiste bewijsvoering bij het gebruik van samenweefsel van verdichtsels en herhaalde de criteria uit eerdere jurisprudentie. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken in openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor feit 9 en strafoplegging, en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.