Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] , Zwitserland,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
23 februari 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of de opzegging van een huurovereenkomst voor bedrijfsruimte door de curator van een gefailleerde huurder ook geldt voor de medehuurder, en of de huurders een gezamenlijke en ondeelbare vordering op de verhuurder hadden.
De procedure begon bij de kantonrechter te Roermond met vonnissen van 26 maart 2014 en 22 april 2015, waarna het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 27 september 2016 een arrest wees. Tegen dit arrest stelde de eiser beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en verwees naar artikel 81 lid 1 RO Pro, waardoor geen nadere motivering nodig was. Het beroep werd verworpen en de eiser werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
De zaak betrof ook de vraag of de verhuurder terecht werd veroordeeld tot betaling van achterstallige huurtermijnen en een overeengekomen boete wegens vertraging in betaling, waarbij artikel 6:92 lid 1 BW Pro een rol speelde.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 23 februari 2018.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.