Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
6 maart 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor medeplichtigheid aan gekwalificeerde doodslag. Het hof stelde vast dat verdachte opzettelijk behulpzaam was bij een ripdeal waarbij een diefstal met mogelijk fors geweld werd gepleegd, wat voldoende verband hield met de gekwalificeerde doodslag. De verdediging voerde onder meer aan dat het vereiste opzet voor medeplichtigheid niet bewezen was, maar dit werd door de Hoge Raad verworpen.
Het hof baseerde zijn oordeel op getuigenverklaringen, tapgesprekken en andere bewijsmiddelen, en verwierp het verweer dat verklaringen onder druk waren verkregen. De verdachte werd vrijgesproken van medeplegen, maar veroordeeld voor medeplichtigheid vanwege ondersteunende handelingen voorafgaand en tijdens het misdrijf.
De Hoge Raad bevestigt dat het opzet van de verdachte gericht was op het behulpzaam zijn bij een diefstal waarbij mogelijk geweld werd toegepast, en dat dit voldoende verband hield met de gekwalificeerde doodslag. Wel oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, wat leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie jaar en negen maanden naar drie jaar en zeven maanden.
De overige middelen van cassatie worden verworpen. Dit arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken in openbare terechtzitting op 6 maart 2018.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot drie jaar en zeven maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.