Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
13 maart 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens het opzettelijk uitlokken van het openbaar maken van beledigende uitlatingen wegens ras, gepleegd via een voor iedereen toegankelijke internetsite. De verdachte had anderen uitgenodigd om hun racistische opvattingen en uitlatingen te uiten.
Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatie in bij de Hoge Raad, waarbij hij zich liet bijstaan door zijn advocaat. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen.
De uitspraak bevestigt de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het uitlokken van racistische uitlatingen via internet en benadrukt het belang van art. 81 RO Pro bij de beoordeling van cassatiemiddelen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam wordt bekrachtigd.