Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te [vestigingsplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
16 maart 2018.
Hoge Raad
In deze cassatieprocedure stond de vraag centraal of het gerechtshof terecht het verzoek van eiser om uitstel van zes weken voor het nemen van een antwoord-akte had afgewezen en het recht om deze proceshandeling te verrichten had laten vervallen.
De zaak betreft een vordering van verweerster jegens eiser c.s. in een verklaringsprocedure na derdenbeslag. Het hof had de vonnissen van de rechtbank vernietigd en eiser c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag aan verweerster. Eiser c.s. had echter verzocht om uitstel van zes weken, terwijl het toepasselijke Landelijk procesreglement een uitstel van twee weken toestond.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof het uitstelverzoek ten onrechte integraal had afgewezen, omdat eiser c.s. recht hadden op een uitstel van twee weken op grond van het toen geldende procesreglement. Ook had het hof moeten converteren naar een korter uitstel en een belangenafweging moeten maken. De verwijzing naar een verkeerde artikelgrond door de advocaat deed hieraan niet af.
De Hoge Raad vernietigde daarom de rolbeslissing en het arrest van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling. Tevens werd verweerster veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de rolbeslissing en het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.