Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.De bestreden uitspraak
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Slotsom
6.Beslissing
16 januari 2018.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of schilderijen, betrokken bij een in scène gezette diefstal en verzekeringsfraude, konden worden aangemerkt als 'door misdrijf verkregen' in de zin van art. 416 Sr Pro en 'uit enig misdrijf afkomstig' conform art. 420bis Sr. Het hof had geoordeeld dat de schilderijen van misdrijf afkomstig waren omdat hun aanwezigheid bij de verdachte direct causaal samenhing met de verzekeringsoplichting gepleegd door een derde.
De Hoge Raad oordeelde dat dit oordeel onjuist was. Goederen kunnen slechts als door misdrijf verkregen worden beschouwd indien het misdrijf voorafgaat aan het bezit of de overdracht van die goederen. In deze zaak was de verzekeringsfraude pas kort na de overdracht gepleegd en was alleen de schade-uitkering het product van het misdrijf. Dit betekent dat de schilderijen zelf niet als misdrijfproduct konden worden aangemerkt.
De zaak betrof een complexe samenwerking tussen meerdere verdachten die de schilderijen verborgen hielden en probeerden een beloning te verkrijgen bij een verzekeringsmaatschappij. Het hof had bewezenverklaard dat de verdachte medepleegde aan opzetheling en witwassen, maar de Hoge Raad vernietigde dit oordeel voor zover het de criminele herkomst van de schilderijen betrof.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Den Haag voor een nieuwe beoordeling binnen het bestaande hoger beroep, waarbij het hof de juiste rechtsopvatting moet toepassen. De overige middelen werden niet behandeld omdat zij geen belang hadden voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.