Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
27 maart 2018.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin het hof het verweer van verdachte verwierp dat er geen gehoor was gegeven aan zijn verzoek om rechtsbijstand van zijn voorkeursadvocaat.
De verdediging stelde dat dit een schending van artikel 6 EVRM Pro inhield en dat dit tot bewijsuitsluiting moest leiden. Het hof oordeelde echter dat verdachte voorafgaand aan zijn verhoor consultatiebijstand had gehad van een andere advocaat en dat er geen aanwijzingen waren dat het verzoek om de voorkeursadvocaat in te schakelen niet was geprobeerd.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof het verweer terecht verwierp omdat niet was aangetoond dat het geschonden voorschrift van wezenlijk belang was, noch dat er sprake was van ernstig nadeel. Het beroep werd daarom verworpen.
Uitkomst: Het beroep van verdachte op bewijsuitsluiting wegens het ontbreken van zijn voorkeursadvocaat wordt verworpen.