Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
27 maart 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin zij werd veroordeeld voor medeplegen van begunstiging door het lichaam van het slachtoffer te verslepen en in een tapijt te wikkelen. Het hof had vastgesteld dat verdachte samen met een ander handelde met het oogmerk om de nasporing van het misdrijf te bemoeilijken door sporen te wissen.
Het hof baseerde zijn oordeel onder meer op DNA-sporen van verdachte op de kleding en sokken van het slachtoffer, die niet verklaard konden worden door haar verklaring dat zij de kleding alleen had gestreken. Daarnaast werd een schoenzoolafdruk op het tapijt gevonden die overeenkwam met de slippers van verdachte, waarop bloed van het slachtoffer zat. Dit bewijs leidde tot de conclusie dat verdachte het lichaam had versleept en in het tapijt had gewikkeld.
De Hoge Raad herhaalde de strekking van artikel 189, eerste lid, onder 2°, Sr, dat strafbaarstelling ziet op het bemoeilijken van opsporing door het vernietigen, wegmaken of verbergen van sporen. Het middel van verdachte dat het hof onvoldoende had vastgesteld welke sporen precies waren gewist en hoe dit het onderzoek bemoeilijkte, werd verworpen omdat een dergelijke eis niet door het recht wordt gesteld.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en voldoende had gemotiveerd dat verdachte medepleegde aan het wegmaken van sporen. Het beroep in cassatie werd daarom verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de bewezenverklaring van medeplegen begunstiging door het lichaam van het slachtoffer te verslepen en in een tapijt te wikkelen.