Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede en het derde middel
5.Beoordeling van het vierde middel
6.Beslissing
27 maart 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor het kraken van een pand aan de [a-straat 1] te Den Haag. De gemeente was eigenaar van het pand en had een bruikleenovereenkomst met de gebruikers, waaronder 'De Vloek'. Deze overeenkomst werd opgezegd per 1 april 2015, waarna het rechtmatig gebruik door 'De Vloek' beëindigd was.
Op 9 september 2015 werd het pand ontruimd en werd verdachte samen met een ander aangetroffen in een verborgen ruimte onder het pand, waar zij zich hadden vastgeketend. Ondanks herhaalde vorderingen om het pand te verlaten, weigerden zij dit en werden zij aangehouden. Het hof stelde vast dat de gemeente vanaf 1 april 2015 als rechthebbende moest worden aangemerkt en dat het gebruik door de rechthebbende was beëindigd.
De verdediging voerde aan dat het gebruik niet beëindigd was zolang feitelijk gebruik voortduurde en dat er geen sprake was van wederrechtelijk vertoeven. De Hoge Raad verwierp deze stellingen en bevestigde dat ook voortgezet feitelijk gebruik na opzegging onder het begrip 'gebruik beëindigd' valt in artikel 138a Sr. Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat voortgezet feitelijk gebruik na opzegging van de bruikleenovereenkomst onder artikel 138a Sr valt, waarmee de veroordeling voor kraken gehandhaafd blijft.