Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
10 april 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd vrijgesproken van medeplegen winkeldiefstal. Tijdens het hoger beroep was de verbalisant als getuige verschenen, maar het hof besloot zonder duidelijke motivering af te zien van het horen van deze getuige, ondanks dat de advocaat-generaal dit had verzocht.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof bij het afzien van het horen van een ter terechtzitting verschenen getuige, zoals de verbalisant, de vereiste wettelijke gronden uit artikel 288, eerste lid onder b en c, Sv niet heeft betrokken in zijn motivering. Dit maakt de beslissing onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het bestreden arrest en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep, waarbij het hof opnieuw moet beslissen over het horen van de getuige met inachtneming van de wettelijke criteria.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.