Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
10 april 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor doodslag, gepleegd door wurging van het slachtoffer in Almere, waarna het lichaam werd verborgen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had de zaak behandeld en op 24 februari 2017 een arrest gewezen.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. Namens hem diende zijn advocaat een schriftuur in. De Hoge Raad heeft het beroep getoetst op ontvankelijkheid en inhoudelijke gronden.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest werd uitgesproken op 10 april 2018 door de Strafkamer van de Hoge Raad, onder voorzitterschap van vice-president W.A.M. van Schendel, met raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en onvoldoende gronden.