Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Gelderlandvan 11 oktober 2017, nr. AWB 17/54, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 20 juli 2017.
Hoge Raad
In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland inzake verzet tegen een eerdere uitspraak. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld op ontvankelijkheid. Hierbij is overwogen dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Gelet op artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na overleg met de Procureur-Generaal, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 13 april 2018 door raadsheer Wortel als voorzitter, samen met raadsheren Groeneveld en Beukers-van Dooren.
Deze beslissing betekent dat het cassatieberoep niet inhoudelijk is behandeld en dat de uitspraak van de lagere rechter daarmee in stand blijft. De procedure is hiermee definitief afgesloten zonder inhoudelijke beoordeling van de klachten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang en omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.