Belanghebbende, een vennootschap gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over de betaling van antidumpingrechten. Het hof had eerder het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland behandeld.
De Hoge Raad beoordeelde zowel het principale als het incidentele cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën. Beide middelen werden verworpen omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling, zoals bedoeld in artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten van het cassatiegeding ten laste van belanghebbende, vastgesteld op € 1002 voor beroepsmatige rechtsbijstand. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 13 april 2018.