ECLI:NL:HR:2018:580

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 april 2018
Publicatiedatum
12 april 2018
Zaaknummer
17/00218
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart cassatieberoepen ongegrond in zaak antidumpingrechten

Belanghebbende, een vennootschap gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over de betaling van antidumpingrechten. Het hof had eerder het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland behandeld.

De Hoge Raad beoordeelde zowel het principale als het incidentele cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën. Beide middelen werden verworpen omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling, zoals bedoeld in artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten van het cassatiegeding ten laste van belanghebbende, vastgesteld op € 1002 voor beroepsmatige rechtsbijstand. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 13 april 2018.

Uitkomst: Beide cassatieberoepen werden ongegrond verklaard en de Staatssecretaris van Financiën werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

13 april 2018
Nr. 17/00218
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] Limitedte
[Z], Verenigd Koninkrijk (hierna: belanghebbende), tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 6 december 2016, nr. 15/00871, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 14/3477) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van antidumpingrechten.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
Belanghebbende heeft schriftelijk haar zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

Wat betreft het principale cassatieberoep van belanghebbende acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Wat betreft het incidentele cassatieberoep van de Staatssecretaris zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1002 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2018.