ECLI:NL:HR:2018:581

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 april 2018
Publicatiedatum
12 april 2018
Zaaknummer
17/00219
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroepen in cassatie ongegrond in zaak antidumpingrechten

Belanghebbende, een Oostenrijkse vennootschap, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam betreffende uitnodigingen tot betaling van antidumpingrechten. De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in en stelde tevens een incidenteel cassatieberoep in. Beide partijen dienden schriftelijke stukken in ter onderbouwing van hun standpunten.

De Hoge Raad oordeelde dat geen van de middelen in het principale en incidentele beroep aanleiding gaf tot cassatie. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was nadere motivering niet vereist, omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

Ten aanzien van de proceskosten werd de Staatssecretaris veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, vastgesteld op € 1002 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en op 13 april 2018 openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart beide cassatieberoepen ongegrond en veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten.

Uitspraak

13 april 2018
Nr. 17/00219
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] GmbHte
[Z], Oostenrijk (hierna: belanghebbende), tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 6 december 2016, nrs. 15/00872 tot en met 15/00874, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. 14/3478 tot en met 14/3480) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van antidumpingrechten.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
Belanghebbende heeft schriftelijk haar zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

Wat betreft het principale cassatieberoep van belanghebbende acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Wat betreft het incidentele cassatieberoep van de Staatssecretaris zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1002 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2018.