Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beslissing
17 april 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de deelname van een Franse opsporingsambtenaar aan een verkeerscontrole op Nederlands grondgebied onrechtmatig was. De verdachte werd onder meer verdacht van het vervoeren van grote hoeveelheden verdovende middelen. De verdediging stelde dat het optreden van de Franse agent onrechtmatig was omdat het Besluit 2008/615/JBZ geen basis bood voor een verkeerscontrole zonder grensoverschrijdend aspect.
Het hof had geoordeeld dat artikel 17 van Pro het Besluit wel een grondslag bood voor het optreden van de Franse agent. De verdediging voerde aan dat dit artikel niet van toepassing was op verkeerscontroles en dat de Franse agent geen expliciete bevoegdheden had om dwangmiddelen toe te passen, terwijl hij dat wel deed.
De Hoge Raad oordeelde dat het Besluit niet de enige grondslag hoeft te zijn voor samenwerking tussen opsporingsdiensten en dat artikel 17 lid 2 van Pro het Besluit niet bedoeld is om de belangen van de verdachte te beschermen, maar die van de gaststaat. Bovendien was niet gebleken dat de Franse agent zonder toestemming van Nederlandse autoriteiten handelde. Het beroep van de verdachte werd daarom verworpen.
Uitkomst: Het optreden van de Franse opsporingsambtenaar bij de Nederlandse verkeerscontrole werd als rechtmatig beoordeeld en het cassatieberoep verworpen.