ECLI:NL:HR:2018:643

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 april 2018
Publicatiedatum
19 april 2018
Zaaknummer
17/00910
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitleg verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden

In deze zaak stond de uitleg van het verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden centraal. De man, eiser in cassatie, was het niet eens met het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch dat zijn vorderingen afwees. De executeur van de nalatenschap van de vrouw was verweerster in cassatie.

De procedure begon bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant met vonnissen in 2013 en 2014, waarna het gerechtshof in 2016 uitspraak deed. De Hoge Raad verwijst naar deze eerdere uitspraken voor het geding in feitelijke instanties.

In cassatie heeft de Hoge Raad het beroep van de man verworpen omdat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie. Er is geen aanleiding tot nadere motivering omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.

De Hoge Raad veroordeelde de man tot betaling van de kosten van het geding in cassatie, begroot op € 395,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris van de executeur. Het arrest werd op 20 april 2018 gewezen en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.

Uitspraak

20 april 2018
Eerste Kamer
17/00910
TT/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
advocaten: mr. A.H. Vermeulen en mr. A.H.H. Conradi-Vermeulen,
t e g e n
[verweerder] , in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de executeur.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak C/02/270718/HA ZA 13-751 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 december 2013 en 16 juli 2014;
b. de arresten in de zaak 200.164.751/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 oktober 2016 en 8 november 2016.
Het arrest van het hof van 25 oktober 2016 is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 25 oktober 2016 heeft de man beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De executeur heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor de executeur toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Mr. A.H. Vermeulen heeft bij brief van 8 maart 2018 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de man in de kosten van het gedingin cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de executeur begroot op € 395,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
20 april 2018.