Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
24 april 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 april 2017, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van woninginbraak. De verdachte stelde een middel van cassatie voor via zijn advocaat, gericht op het aanvechten van het bewijs.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelt dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat het geen nadere motivering behoeft omdat het niet leidt tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, en het beroep is op 24 april 2018 verworpen. Hiermee blijft het vonnis van het hof in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.