Belanghebbende, een fiscale eenheid bestaande uit [X1] BV en [X2] BV, kreeg in 1991 een gezamenlijk btw-nummer toegewezen. In 2013 constateerde de Belastingdienst dat het gebruikte nummer hetzelfde was als dat van [X1] BV alleen. De Inspecteur stuurde daarop een brief waarin hij aankondigde een nieuw btw-identificatienummer toe te kennen en stelde belanghebbende in de gelegenheid bezwaar te maken. Het bezwaar werd afgewezen.
Het hof oordeelde dat de brief van de Inspecteur een besluit was waartegen geen bezwaar of beroep openstond en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad oordeelt dat de brief van 23 december 2013 slechts een voornemen tot toekenning van een btw-identificatienummer is en geen besluit in de zin van de Awb of de belastingwet. Daarom is tegen dit voornemen geen bezwaar of beroep mogelijk bij de bestuursrechter. Wel bevestigt de Hoge Raad dat de uitspraak op bezwaar van 3 maart 2014 een besluit is waartegen beroep openstaat bij de belastingrechter.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het ziet op het voornemen tot toekenning van het btw-identificatienummer en bevestigt de uitspraak van de rechtbank dat het bezwaar tegen dit voornemen niet-ontvankelijk is. De zaak wordt daarmee definitief afgedaan. De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht voor het cassatieberoep.