Uitspraak
wonende te Aruba,
wonende te Aruba,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
4 mei 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond een geschil over ongerechtvaardigde verrijking centraal tussen verzoeker en verweerder, beiden woonachtig te Aruba. De procedure begon bij het gerecht in eerste aanleg van Aruba met meerdere vonnissen in 2012, 2013 en 2015, waarna het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 20 december 2016 een vonnis wees.
Verzoeker stelde beroep in cassatie in tegen het vonnis van het hof, terwijl verweerder geen verweerschrift indiende. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen, waarop verzoeker reageerde. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen aanleiding gaven tot cassatie, mede omdat deze niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaak gaven.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt verzoeker in de kosten van het geding in cassatie, die aan de zijde van verweerder op nihil zijn begroot. Het arrest werd gewezen door de raadsheren van Buchem-Spapens, Polak, Sieburgh en in het openbaar uitgesproken door Tanja-van den Broek op 4 mei 2018.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoeker wordt verworpen en het vonnis van het hof bevestigd.