ECLI:NL:HR:2018:701

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 mei 2018
Publicatiedatum
15 mei 2018
Zaaknummer
16/02436
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994Art. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor verkeersongeval met lichamelijk letsel ondanks overschrijding redelijke termijn

In deze zaak stond een verkeersongeval met lichamelijk letsel centraal waarbij verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van tachtig uur, subsidiair veertig dagen hechtenis. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 25 april 2016.

De Hoge Raad heeft het beroep van verdachte verworpen. De middelen van cassatie konden niet tot vernietiging leiden en behoefden geen nadere motivering, aangezien zij geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Hoewel de Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, achtte hij de overschrijding niet zodanig dat dit rechtsgevolgen moest hebben, mede gelet op de aard en zwaarte van de opgelegde straf. Het arrest werd uitgesproken op 15 mei 2018 door de vice-president en raadsheren van de strafkamer.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot een taakstraf van tachtig uur, subsidiair veertig dagen hechtenis.

Uitspraak

15 mei 2018
Strafkamer
nr. S 16/02436
SK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 25 april 2016, nummer 22/001158-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D. Vermaat, advocaat te Barendrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
15 mei 2018.