Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
15 mei 2018.
Hoge Raad
Verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag, maar heeft geen middelen van cassatie door een raadsman binnen de wettelijk gestelde termijn ingediend. De Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van verdachte. De Hoge Raad oordeelt dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet is nageleefd, waardoor het beroep niet ontvankelijk is.
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep en bevestigt hiermee de uitspraak van het gerechtshof. Er zijn geen inhoudelijke middelen behandeld omdat deze niet zijn ingediend. De uitspraak is gedaan door de vice-president J. de Hullu en raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink.
Deze beslissing betekent dat het cassatieberoep niet verder wordt behandeld en het arrest van het gerechtshof in stand blijft.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.