ECLI:NL:HR:2018:723

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 mei 2018
Publicatiedatum
17 mei 2018
Zaaknummer
17/01273
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 3:307 lid 1 BWArt. 3:307 lid 2 BW
Verwijzingen
3 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in geschil over verjaring en nakoming onroerendgoedproject

In deze zaak stond een geschil centraal over de nakoming van een overeenkomst betreffende de totstandbrenging van een onroerendgoedproject. Eiseres c.s. stelde dat er sprake was van tekortkoming in de nakoming van een toezegging tot aanbieding van een soortgelijk project, waarbij de vraag speelde of de vordering opeisbaar was en of verjaring op grond van artikel 3:307 lid 1 of Pro lid 2 BW van toepassing was.

Na eerdere vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland en een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, werd door eiseres c.s. cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Verweerster stelde voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep in. De Hoge Raad heeft de klachten van eiseres c.s. onderzocht en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden, mede omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De conclusie van de Advocaat-Generaal strekte tot verwerping van het principaal beroep, hetgeen door de Hoge Raad is gevolgd. Het voorwaardelijk incidentele beroep van verweerster werd daardoor niet behandeld. De Hoge Raad veroordeelde eiseres c.s. tot betaling van de proceskosten en rente. Hiermee werd het arrest van het gerechtshof bekrachtigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bekrachtigt het arrest van het gerechtshof.

Uitspraak

18 mei 2018
Eerste Kamer
17/01273
LZ/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiseres 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [eiseres 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3. [eiser 3] ,
gevestigd te [woonplaats] , België,
EISERS tot cassatie, verweerders in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. M.E. Bruning,
t e g e n
[verweerster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerster] .

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak C/16/351100/HA ZA 13-636 van de rechtbank Midden-Nederland van 8 januari 2014 en 8 oktober 2014;
b. het arrest in de zaak 200.162.056 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 december 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld.
[verweerster] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De procesinleiding en het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van de beroepen ingediend en vorderen over en weer wettelijke rente over de toe te wijzen proceskosten.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor [verweerster] mede door mr. K.J.O. Jansen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het principaal beroep.
De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 30 maart 2018 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 854,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] c.s. deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
18 mei 2018.