Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
23 januari 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor opiumwetdelicten, waarbij het hof Den Haag hem veroordeelde tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, in de cassatiefase was overschreden, mede doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep plaatsvond.
De Hoge Raad achtte deze termijnoverschrijding reden voor vermindering van de opgelegde straf. De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat zij geen aanleiding gaven tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad vernietigde het arrest dan ook uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze tot 23 maanden en 1 week, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot vernietiging van de strafoplegging en vermindering van de straf, hetgeen door de Hoge Raad werd gevolgd.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 23 maanden en 1 week, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.