Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
23 januari 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor verduistering in een persoonlijke dienstbetrekking en gewoontewitwassen. Het cassatieberoep van de verdachte richtte zich tegen de strafoplegging en de motivering daarvan. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie falen en geen aanleiding geven tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zestien maanden naar vijftien maanden.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof Amsterdam uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van zestien naar vijftien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.